Mijn zus Desi werd door een vrachtwagen doodgereden toen ik tien was. We waren onderweg naar het winkelcentrum en liepen innig gearmd door de wijk. Haar witte stok, die ze Oculus noemde, tikte in het vaste ritme van links naar rechts. Ik had mijn ogen gesloten en samen met haar vertrouwde ik op de waakzaamheid en oplettendheid van Oculus. We kletsten over de nieuwe buurjongen Hugo. Ik moest ieder gelaatskenmerk van de nieuwe jongen aan Desi vertellen, zodat zij kon beslissen of hij knap genoeg was om de moeite van het glimlachen waard te zijn.
