Zomerochtend – een fragment

Summergirls_3

Sinds de Overschotoorlog, een paar generaties geleden, is er door de overheid besloten om alle inwoners van de staat Unde in te delen in twee verschillende jaargetijden. De Zomerlingen leven tijdens de zomer en wij, de Winterlingen, tijdens de winter. De overige zes maanden brengen we in coma door in de Dorm. Op deze manier kan de overheid ons garanderen dat we een rustig en zorgeloos leven kunnen leiden in een veilige en geordende maatschappij.De zomer is voor mij altijd iets geweest als Venus. Ik wist dat het bestond, maar had er totaal geen beeld bij. Tot het moment dat ik te vroeg wakker werd en de gebeeldhouwde jongen met de pure chocoladeogen me hielp ontsnappen uit de Dorm.

****

Ik zit op de achterbank van zijn jeep. Mijn neus heb ik tegen het raampje aangeplakt. Golvend gras stroomt in de wind door het glooiende landschap. Duizend kleuren groen en honderd tinten roze die worden gevangen door vroege fluwelen zonnestralen. Grote witte bloemen tussen het hoge gras zijn bedekt met zilveren speldenknopjes dauw, waardoor het spectrum van kleuren in diamanten wordt vermenigvuldigd tot regenbogen vol warmte.
Ik draai het raampje open en laat de koele wind door mijn haren dansen. De geuren die zich vastklampen in mijn neusharen zijn overweldigend, extatisch bijna. Frisse en lichte geuren, zoet als zachte snoepjes, fris als een koele douche en tal van andere geuren die ik nog nooit geroken heb.

Hij vertelde me net dat hij Tristan heet, waardoor hij me nog meer doet denken aan een mythische god uit oude vooroorlogse legendes. Hij bekijkt me via de achteruitkijkspiegel, met een mengeling van bewondering en verbazing, alsof ik rechtstreeks van een andere planeet kom. En misschien is dat ook wel zo. Ik kom uit een parallel universum, een koude wereld, waar sneeuw als gebroken glassplinters glinstert in het maanlicht. Waar elke echo in de kiem wordt gesmoord, waar meer dood dan leven te vinden is, waar een gure wind snijdt als een vlijmscherp slagersmes en kleine scheurtjes achterlaat in je wangen en je neusvleugels. Deze wereld waar ik nu in terecht ben gekomen is kleurrijk en zacht, als een wollen trui, maar dan zonder te kriebelen. Dit is niet mijn wereld, niet mijn aarde.
We rijden over een bochtig bospaadje en na een klein half uurtje zet hij de motor af. ‘We zijn er,’ zegt hij tegen de achteruitkijkspiegel. Hij gooit met een trefzekere zwaai zijn portier open en stapt uit de auto. Ik blijf nog een paar seconden zitten, maar ik betwijfel of ik ooit nog iets vindt dat lijkt op moed of zorgeloosheid.
Ik loop achter hem aan langs de bomenrij. Het ruikt hier naar rottende boomschors en broeierige badkamers.
‘Wauw,’ breng ik verwonderd uit als ik het witte boerderijtje in het oog krijg. De voorgevel is verstrengeld in een innige omhelzing met een voluptueuze groene klimop. Het gebladerte wordt onderbroken door kleine ruitjes die lukraak in het huis lijken te zijn geplaatst. Langs de donkergroene houten voordeur van het huisje groeit een uitbundige rozenstruik met grote lichtroze bloemen. ‘Dit is nou niet het soort huis dat ik bij jou verwacht had.’
‘Oh nee? Wat had je dan verwacht? Een cel? Een glazen huis?’
‘Geen idee,’ beken ik. ‘Maar dit in ieder geval niet. Dit komt regelrecht uit een sprookje.’
‘Een sprookje?’
Het huisje neemt me mee naar de fantasieverhalen die mijn moeder vertelde toen ze nog leefde. Aan hoe ze samen met ons over de zeven droomzeeën voer. Ze las ons stiekem voor uit sprookjes van de gebroeders Grimm, zoals Vrouw Holle, Roodkapje en, mijn lievelingssprookje, Hans en Grietje. Alle boeken van voor de Overschotoorlog zijn verboden in Unde. Ze herinneren ons aan de slechte tijd van weleer en we moeten volgens president Jäger al onze energie en objectiviteit gebruiken om van het goede van nu te kunnen genieten. Het verleden is niet meer dan oud zeer, zegt hij altijd.
Maar dat weerhield mama er niet van om prachtige sterrenstelsels te scheppen met fonkelende luchtkastelen en koninkrijken vol mooie prinsessen en dappere ridders die draken versloegen. Ze grauwde in haar rol als de boze heks, zong als een engel en danste met ons rond verzonnen kampvuurtjes terwijl ze lachend riep dat niemand wist dat ze Repelsteeltje heette. En we speelden mee, geloofden in de waarheid van de sprookjes. Ik liet me kussen door haar zachte lippen als ik moest ontwaken uit mijn honderdjaar durende droom. Ik werd door ridder Thomas, die op zijn witte hengst de bezemsteel zijn strijdlied zong, bevrijd uit mijn torenkamer bovenop de hoge boekenkast in de woonkamer.
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo gelukkig ben geweest als toen.

Tristan houdt de deur voor me open, zodat ik de smalle gang in kan stappen.
‘Wil je hier even wachten? Mijn vader zit binnen.’ Bij het woord vader wordt zijn hele gezicht gehuld in een jongensachtige gladheid, waardoor hij een stuk jonger lijkt dan dat hij zich voordoet.
Ik hoor aan de andere kant van de deur wat geroezemoes van stemmen, maar al na een paar minuten opent Tristan de deur weer. In de keuken ruikt het naar gebakken eieren met spek, versgemalen peper en sterke koffie. De keuken is pietepeuterig klein met in het midden een houten ronde tafel met vier grote rotanstoelen eromheen. Op een van de stoelen zit een oudere man, ik gok dat hij in de zestig is, met spierwit haar en diepe groeven in zijn gezicht die me doen denken aan walnoten. Hij heeft dezelfde vierkante kaaklijn als zijn zoon en dezelfde pure chocoladeogen. Maar zijn blik is niet trots en onbevangen, zoals die van Tristan, maar triest en afwachtend, alsof hij de trein naar geluk heeft gemist en tevergeefs wacht op de volgende.
‘Hoi,’ fluister ik zenuwachtig. ‘Mijn naam is Noëlle Rodin.’
Er sprankelt een twinkeling hoop op in de ogen van de man, maar wanneer hij me recht aankijkt dooft het weer. Al wat achterblijft is een lege en verloren blik. Ik moet mezelf bedwingen om me te verontschuldigen en hem te overladen met excuses en spijtbetuigingen. Sorry dat ik hier ben, dat ik me opdring, dat ik voor uw neus sta zonder dat u daar om gevraagd heeft. Maar ik blijf zwijgen en wacht af tot hij zijn stem terug gevonden heeft. Zelfs Tristan staat er een beetje verloren bij en alle zelfverzekerdheid die hij eerder uitstraalde is verdwenen. Hij is nu gewoon een jongen, een zoon van een man die duidelijk een intens verdriet met zich meedraagt.
‘Pa,’ zegt hij zachtjes om zijn vader aan te moedigen.
Zijn vader schudt zijn hoofd waardoor zijn geest plotseling weer landt in het hier en nu. ‘Dag Noëlle,’ zegt hij vriendelijk. Mijn naam klinkt als liefkozende poëzie uit zijn mond. ‘Wil je koffie?’
Ik knik. Als hij opstaat weet ik niet wie er meer kraakt: hij of de rieten stoel.
‘Hij is wat traag, af en toe, maar hij is dan ook de jongste niet meer,’ zegt Tristan met een scheve grijns.
‘Maar er is nog steeds niks mis met de oren van die ouwe pa van je,’ reageert de man resoluut vanaf het aanrecht. Hij laat een korte openhartige bulderlach horen, die mij onwillekeurig mee laat grinniken. De geladen sfeer barst uiteen en dwarrelt als ganzenveertjes na een kussengevecht om ons heen naar beneden.
De oude man draait zich om en overhandigt me een mok met dampende koffie. Zijn lippen zijn licht gekruld in een flauwe glimlach, maar zijn ogen staan donker, priemen puntig in mijn gezicht, zoals ijsvissers doen om de dikte van het ijs te testen. Ik glimlach een beetje halfslachtig terug en blaas in de mok. Meer om mezelf een houding te geven, dan om de inhoud af te koelen.
Zou het niet fijn zijn om soms de vloer onder je voeten te veranderen in drijfzand, zodat je zelf langzaam, maar onherroepelijk, kunt wegzakken in het onbekende?

****

Vrijheid is de eerste stap naar criminaliteit, zegt president Jäger altijd. Daarom is ons hele leven uitgestippeld, vanaf het moment dat we geboren worden tot het moment dat we onze taken hebben volbracht en dat het leven moet eindigen. De staat weet wat goed voor ons is, dankzij jarenlange ervaring. Tijdens de lessen Elementaire Geschiedenis op school, heb ik geleerd dat vrijheid zoiets is als het voeren van vissen in een kom. Hoe meer voer je ze geeft, hoe meer ze eten. Zelfs zoveel, dat ze zichzelf uiteindelijk doodeten. Vrijheid leidt tot hebzucht. Hebzucht leidt tot grootheidswaanzin. Grootheidswaanzin leidt tot overmoed. Overmoed leidt tot de dood.
Er werd tot de Overschotoorlog gedacht dat vrijheid en democratie gemeengoed waren waar iedereen op aarde recht op had. Volgens president Jäger is de Overschotoorlog het levende bewijs dat de wereldleiders van toen ongelijk hadden. Natuur, schoonheid en evenwicht: daar gaat het om. Vrijheid is een wolf in schaapskleren, een leugen die niemand waar kan maken.


Bovenstaande fragment heb ik ook ingestuurd voor de #Debutantenwedstrijd van Editio en NRC Boeken. Wanneer je het verhaal jouw stem waard vindt, stem dan via de website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s